Woensdag 14 maart '12
Eerst greep Noura terug naar haar mailtje over afstand-nabijheid. Hoe ik dat niet wil voelen en hoe dat dan uitgeleefd wordt in dissociatieve toestand. Hoe dat enerzijds heel veel zorg kan oproepen, maar dat te veel zorg bij anderen, maar ook bij mij, boosheid kan oproepen. En ik heb daar weinig contact mee.
Noura had nagedacht over wat er nu gebeurt. Want wat er gebeurt, is dat ik van alles voel in contact, maar dat ik dat eigenlijk niet wil voelen. Of wat ik eng vindt. En wat ze delen noemen, kanten, zijn eigenlijk emoties die zijn opgeslagen in fantasiefiguren. Zo moet ik het zien. Omdat ze destijds geen kader hadden, of te weinig gespiegeld zijn, om te weten dat het alleen maar een emotie is. Het moest zo zijn omdat het niet anders kon om te reguleren. En dat zijn dingen die voor mij, als kind, toen de externe realiteit omtrent dat gevoel of de gebeurtenis, dat was zo heftig dat het buiten mijn bewustzijn moest blijven. Dat wordt dan opgeslagen in delen. Maar dat wil niet zeggen dat al die gevoelens en situaties dan weg zijn. Helemaal niet. Ze worden geactiveerd in contact. Zowel het gevoel dat ik haar kan schieten – bijvoorbeeld – als misschien wel het gevoel ‘ik zou zo graag willen vertellen’. Maar dat was voor mij toen niet haalbaar, dus moest het uit mijn beleving blijven om door te kunnen gaan. Dat is ook de menselijke drive. We gaan maar door en door. ‘Oh ja’, denk je soms ‘ik had verdriet’. En dan hup, weer door. Alleen bij mij komt dat ‘oh ja’ niet, omdat het heel lang heeft geduurd. Dat die emoties moeilijk waren. Dat hoeft niet de situatie alleen, maar wel dat die emoties heel moeilijk waren. Maar nu zit ik hier en wordt dat allemaal geactiveerd. En ik vind dat niet zo fijn dus ik wil daar eigenlijk niet zo veel mee. De enige mogelijkheid is dat het dan in dissociatieve toestand naar voren komt.
Het is vaak een heel mechanisme. Ze weten ook, mensen die vaak zijn teleurgesteld in contact hebben de behoefte, maar ze hebben ook altijd een tegenwicht die zegt ‘ja daag, ik ken het’. Altijd. Dat is gewoon een standaard regel. Dus op het moment dat ik troost of contact zoek, zal er altijd een kant zijn die het kapot wil maken. Die de relatie kapot wil maken. Dus het deel dat troost zoekt, die contact zoekt, zorgt ervoor dat iemand zorg geeft. Of dat iemand bezorgd over me is. Maar de andere kant, het wantrouwen, niet delen, afschuiven, of toen met Marleen, dat ik boos op haar was zonder dat ik het wist, zorgt voor enorme ambivalentie. Dat maakt het heel moeilijk in contact. Voor mij, want ik denk ‘waarom reageren mensen zo. Ik snap het niet’. En anderen vinden me waarschijnlijk ongrijpbaar. Zo is het cirkeltje rond. Ze heeft me dit toen ook even gemaild omdat ze dacht ‘ik zie je nog even niet, maar ik wil wel dat je dit alvast weet’. Ze heeft me in die week ook gevolgd in de rapportages en ze zag dat ik veel meer bij elkaar heb gehouden. Althans, op de DT. En ze weet ook dat het niet makkelijk was. Dat ik heb meegedaan met de KTB en noem maar op. Dat ik exposure oefeningen heb gedaan – wat Noura overigens grappig vond om terug te lezen in de rapportages, want de peut in kwestie wist niets van mijn door Noura opgelegde uitdaging.
Toen begon het flauwvallen. Na een week. Met gordelroos. En ze weet niet waar het aan ligt. Het kan ook zijn door tekorten in mijn cellen. Met weinig weerstand, dat dat nu nog minder is. Ik heb natuurlijk veel stress, daarom vindt ze dat we die lijn ook nog steeds moeten volgen. En haar vraag aan mij was of we ook deze kant zullen kijken. Want ik heb me een week zo moeten begrenzen in alles. Ik heb alles moeten voelen. Een verplaatsing zou in die zin niet gek zijn, in haar beleving. Maar het hoeft niet, en dat wilde ze nogmaals duidelijk noemen. Maar wat er eigenlijk gebeurde is dat ik dacht ‘wil ik dat wel’. Daaropvolgend kwamen al mijn gedachten een beetje terug. Dat ik zei ‘ik moet denken aan de hulpverlening die me zo liet liggen’, maar ook ‘maar dan ben ik toch geen goede dochter, want moeder is op de medische tour’. En toen kwamen we er ook weer op uit dat het om mij gaat. Dat ik een beslissing moet maken. Maar dat ik zei ‘het is eigenlijk niet echt mijn beslissing. Zo lijkt het wel, maar als ik de één kies haakt de ander af. Dus het is niet een echt besluit’. En zo zijn we eigenlijk geëindigd, met het idee ‘laten we het hier verder over hebben’. Vandaar ook mijn motto.
“maar Anybody, het zal heel pittig voor je worden. Dit bespreken. Woorden geven aan wat jij denkt over jezelf. Over je ziek zijn. Over anderen, in combinatie met je ziek zijn. Over je wensen. Je angsten. Je verlangens. En daar zullen we binnen ook voor nodig hebben, omdat het ook daar opgeslagen is. Op een gegeven moment zei je ‘ik zit klem’, waarop ik vroeg ‘waarin?’. Toen zei je ‘ik weet het niet, maar ik voel dat ik klem zit’. Dat noemde je vorige week ook
Als ik een Freudiaanse analityci zou zijn, zou ik zeggen dat het flauwvallen ook letterlijk gaat over niet op eigen benen staan. Geen keus maken
En ik zei als ik een Freudiaance analytica zou zijn”.
“gelukkig ben je dat niet, anders was ik geen seconde langer gebleven”.
“hoezo niet? Heb je het gevoel dat ik denk dat je het expres doet?”.
“het voelt als een uiting van zwakte als je niet op je eigen benen kunt staan”.
“het is een uiting van onverdraaglijke emoties”.
“ik vind het zwak als je neervalt”.
“ik denk ‘wat moet dat heftig zijn, als dit gebeurt’. Dat meen ik echt.
Daarnaast vind ik ook dat ik het recht heb om als allochtoon – want allochtonen somatiseren altijd –
Weet je dat niet?”.
“dat wist ik niet”.
“die somatiseren altijd. Daar staan ze bekend om. Ik heb medisch ook een aandoening, maar met stress wordt het ook erger. Dus ik vind dat ik het ook mag zeggen. En ik bedoel het beeldend. Ik bedoel het niet naar. Ik bedoel het in symboliek. In symboliek zou het kunnen passen”.
“ik vind het trouwens heel naar als je jezelf allochtoon noemt. Dat vind ik echt heel rot klinken”.
“ja? Ik heb er geen oordeel over, dus voor mij” –
“ik vind dat heel naar klinken”.
“echt waar? Hoezo?”.
“allochtoon heeft zo’n negatieve bijklank. Dan denk ik ‘maar je hoort er toch gewoon bij?’. Je bent zo Nederlands als wat”.
“de laatste tijd heeft het een beetje een negatieve bijklank gekregen. Dat klopt”.
“ja, maar ik vind, het klinkt heel naar. Dat doet toch helemaal geen recht aan wie je bent?”.
“zo ervaar ik het niet. Allochtoon, autochtoon, negatief.
Ik kreeg ooit een brief met ‘beste nieuwe Nederlander’. En toen dacht ik ‘nou, ben je helemaal gek geworden!”, lacht Noura.
“waarom dat?”.
“dan willen ze niet het woord buitenlander of allochtoon gebruiken, dus zijn ze op zoek naar nieuwe woorden”.
“dat slaat ook nergens op”.
“daarom dacht ik ‘ben je helemaal gek geworden!’.
Maar heb ik het helder verteld? Wil je hier nog op terugkomen of iets zeggen?”.
“ik denk dat ik het gesprek eerst even moet terugluisteren. Maar ik vind het allemaal wel een beetje ingewikkeld, geloof ik”.
“hoe bedoel je? Of welk stukje? Dat is misschien een betere vraag”.
“vooral nog over het behandelplan, eigenlijk”.
“over je doelen die we hebben gesteld? Met name dat ene, het ontdekken?”.
“ja, maar ook die dingen op de groep. Met dat delen op de groep en zo”.
“maar waarom wil je dat persé niet?”.
“het is meer een soort angst. Het is niet persé ‘ik wil het niet”.
“maar je kunt toch aan die angst werken? En het moet ook jouw keuze zijn. Ik voorspel je, we gaan geen makkelijk pad op”.
“hmm, dat was het al anderhalf jaar niet”.
“nee, precies. En met name ook dat stuk wat wij heel erg intensief moeten doen, dat klem zitten. Daar zit heel veel pijn. Daar zit heel veel boosheid en verdriet bij jou, denk ik”.
"daar ben ik ook bang voor”.
“we hebben ook gezegd ‘het wordt pittig’. Het is ook een beetje, daarom is het ook exploreren de komende behandelperiode, want het moet uiteindelijk jouw keuze zijn.
Ik merk dat ik ook heel erg alert ben dat ik niet de belichaming word voor jou. Weer iemand die iets van jou wilt. Weer iemand waaraan jij je moet aanpassen. Naar de zin moet maken”.
“dat vind ik wel makkelijker, als ik weet wat ik moet doen”.
“maar dan ben je niet authentiek”.
“nee, maar dan weet ik wel wat ik moet doen”.
“maar ben je daar gelukkig mee? Je hebt heel veel gedaan wat je moeder wilt. Wat je vader wilt. Wat de artsen willen. En daar kun je ook voor kiezen. Je kunt ook kiezen om niet deze weg te gaan. Daar heb ik oprecht geen oordeel over. Maar wat ik probeer te zeggen is dat deze fase voor jou heel centraal staat dat je gaat begrijpen en voelen wat het is, wat er is, en dan de keus gaat maken. En ook niet persé in deze behandelperiode ‘tsjakka, nu kiezen’. Zo gaat het ook niet”.
“oké”.
“het zal denk ik zo veel ambivalentie meebrengen, binnen jezelf, als ik zo een beetje naar de toekomst kijk, dat je zelfs momenten kan hebben dat je overweegt om terug te gaan naar je moeder. Om daar weer te gaan wonen”.
“waarom dan?”.
“uit schuld. Zelfverwijt. Angst. En ik zeg dit zo openlijk mogelijk omdat ik wil dat jij ook vooruit kijkt. Zodat je weet wat het pad is. En eigenlijk, die loyaliteit, als het hierom gaat, dat zijn eigenlijk ook dingen die je heel goed in de groep kunt bespreken. Daar heb je mensen die je verleden niet goed kennen. Die jou alleen kennen van wat jij hebt laten zien. Dat is een wat onafhankelijker klankbord”.
“dat vraag ik me af, want iedereen die bij ons op de groep zit, zit daar niet voor niets. Iedereen heeft zijn rugzakje”.
“maar dat wil niet zeggen dat ze het niet uit elkaar kunnen houden. Niet iedereen vervloeit met zijn eigen verleden. Dat doe jij ook niet als jij iemand feedback geeft. En de mensen die ik in jouw groep ken kunnen dat ook wel scheiden. En dit is ook echt iets, bij mij ga je ook allemaal gevoelens krijgen als we het over deze onderwerpen hebben. Ik sta symbool voor jou voor een keuze. Dat ben ik niet, maar ik sta wel symbool. Dan is zo’n groep hartstikke handig. Dus denk er oprecht over na. Bereid het voor. Lees het desnoods op”.
“oké”.
“en interne communicatie. Dat moet ook veel meer hier in de kamer”.
“dat doen we toch al?”.
“nee, precies, maar ook gelinkt aan dit onderwerp. Ook over de angsten. Als je iets over jezelf verteld, dat je dan denkt dat je kapot wordt gemaakt. Dat zeg je altijd. Dat we gaan proberen om samen te begrijpen wat je dan bedoeld met kapot maken. Wat het dan is. Hoe dat eruit zou zien. Want dat is vaak de reden wat je binnenwereld aan mij zegt als we het hebben over dingen delen”.
“heb ik dat gezegd dan?”.
“ja”.
“hmm”.
“dissociëren is ook ontsnappen. Eigenlijk is dissociëren ook echt een soort ontsnapping. Iets wat je niet wilt zien, wilt voelen of wilt geloven. En soms, ook net toen je schrok van mijn hand, toen was er even een moment en toen kon je je herpakken. Dat moment is een onbewust keuzemoment: kan ik het aan of kan ik het niet aan”.
“ik doe zo veel mogelijk mijn best om erbij te blijven. Maar eigenlijk is dat best heel ingewikkeld, want dan komt er zo veel op je af. En vaak komt thuis de klap alsnog. En ik word er ook heel destructief van”.
“daarom moet je ook voor-overleg houden. Na-overleg. Daarom is die communicatie zo belangrijk. Dat verminderd echt veel meer, als je weet wat de verboden zijn, wat de angsten zijn, en hoe je dat kan doen. En je zal van alles gaan voelen in de pure geconcentreerdheid, omdat het is opgedeeld. Dus de woede zal extreem voelen. Verdriet zal extreem voelen. De angst zal extreem voelen”.
“hmm”.
“had je nog andere vragen wat betreft het behandelplan? Of gaan we door met die andere punten van je mail. We hadden twee punten”.
“ja. Van die vrouw, toch?
“ja, maar ook die andere”.
“ik was weer eens achterdochtig. Bedoel je die?”.
“achterdochtig, niet echt. Ik schrok. Ik dacht ‘oh god, zouden ze dat hebben gedaan?’. Eerst had ik zoiets van ‘he, hoe kan dat?’. En toen, ik vond te zo ingewikkeld om jou een kijkje te geven in mijn leven”.
“waarom ik achterdochtig was kwam omdat er was gezocht op de combinatie ‘noura’, ‘disnao’, ‘blog’ en ‘therapie’. Ik dacht ‘iemand die mij gaat opzoeken zal niet jouw nickname gebruiken’. Dat vond ik typisch. En disnao was geschreven als dis nao, net zoals jij me toen zo in de war had gemaakt met die i. En naja, ‘blog’ en ‘therapie’ in combinatie hiermee gaf achterdocht. Maar tegelijkertijd kon ik me ook niet voorstellen dat je dat zou doen”.
“en hoe vind je het dat ik wel over je heb gepraat? Want dat is natuurlijk wel wat er is. Want over dat dansen, dat ik zei ‘ik heb iemand die heel goed kan dansen’. Hoe is dat dan?”.
“ik denk, dubbel. Op zich hoort dat erbij. Maar toch. Toen je terugkwam van vakantie zei je ‘ik heb nog aan je gedacht’. Met die dansvoorstelling. Dat vond ik heel ingewikkeld. Ik kon het niet plaatsen; ‘therapeut’, ‘vakantie’, ‘denkt aan cliënt’, ‘kan toch niet?!’. Ik kon dat niet zo goed matchen. Maar ik denk dat ik vooral door Susan ook heb geleerd dat een therapeut ook gewoon maar mens is. En het is ook gewoon maar je werk. Dus ik denk dat ik daar nu niet zo heel veel moeite mee heb”.
“daarbij heb je natuurlijk wel twee andere aspecten. Want ik zeg altijd ‘ik heb iemand in behandeling die waarschijnlijk heel goed kan dansen’. En dat is op zich niet zo spraakmakend. Dat is net zoals ik zeg dat je heel goed kunt tekenen, bij wijze van. Maar wat er wel was, en dat vond ik zo lastig, want ik dacht ‘wat moet ik nu vertellen en wat niet, anders moet ik zo geheimzinnig doen’. Want jongvolwassenen raken mij heel erg. En dat maakt natuurlijk ook dat je niet alleen maar zegt ‘ik heb iemand in behandeling die heel goed kan dansen’, maar dat je zegt ‘ach, ze is nog maar zo oud en ze is óók nog heel creatief!’. Dat maakt dat je er een emotionele lading bij krijgt. En het maakt ook nieuwsgierig, natuurlijk”.
“hmm”.
“en je had gewoon pech met dat licht”.
“dat wist ik niet. Ik kan helemaal geen Turks of Arabisch”.
“nee, ik kan ook geen Arabisch, maar dit was dus Arabisch en dat andere was ook een synoniem. Dus het was ook een beetje om de keet, zoals dat onderling gaat. En het was natuurlijk heel makkelijk, want je was heel erg in beeld. Want je danst, je noemt mij ook lamp – bij wijze van
Wil je dat ik het vraag dit weekend?”.
“dat zou ik wel fijn vinden”.
“en wil je ook dat ik vraag of ze dat niet willen lezen?”
“ik heb liever niet dat ze verder lezen”.
“daarom vraag ik het. En dit is blijkbaar ook wel een beetje naïef van mij geweest”.
“verder is het op zich ook niet een heel groot probleem. Het is meer het weten. Of er door jou of iemand uit jouw privékringen wordt gelezen, ja of nee. En als ik niet wil dat iemand het leest dan kan ik daar ook andere keuzes in maken”.
“natuurlijk, maar mijn zusje of nichtje hoeft dat niet te lezen. En daar moet ik wel oprecht mijn excuses voor aanbieden. Dat ik niet heb kunnen bedenken dat zij dat zouden kunnen gaan bekijken. Ook wel omdat een van de twee dus heeft gevraagd ‘ben je dan niet benieuwd?’. Dat ik dacht ‘ik zie toch wat ze van me vindt. Of voelt. Waar heb ik dat voor nodig?’. Daar de vraag ‘ben je dan niet benieuwd’, daar had ik misschien wel iets alerter op moeten zijn. En ik wil best verantwoordelijkheid nemen voor mijn daden. Er is een lek geweest, blijkbaar. Ik weet het niet, maar ik ga het wel vragen. Ik zie ze toch dit weekend”.
“dat zou ik wel fijn vinden. Maar verder is het ook geen big deal. Want ik denk, uiteindelijk ben je allemaal gewoon mens. Een vriendinnetje van me heeft SPH gedaan en heeft tijdens haar stage met een groep jongeren gewerkt. Daar had ze het dan ook wel eens over. Het hoort ook gewoon bij je leven. Zo ben ik dan ook wel weer”.
“nu ben je even voor mij aan het rationaliseren”.
Ik schiet in de lach “nee, maar, snap je?”.
“ik zie ook wel dat het het eind van de wereld niet is. Maar ik had het liever niet gehad”.
“ik ben wel blij dat je dit wel heb verteld. Dit was wel het enige eerlijke antwoord. Als hij heel therapeutisch verantwoord geblaat had opgehangen dan had ik daar denk ik toch geen geloof in”.
“je zegt het wel als je er last van krijgt? Als je er te veel gedachtes of ideeën bij krijgt?”.
“sorry?”.
“over mijn leven. Dat je inkijk hebt gehad. Hoe dat voor je is. Als je het lastig gaat vinden, kun je dat dan noemen in de toekomst?”.
“ligt eraan hoeveel last ik ervan krijg. Als ik het heel ingewikkeld ga vinden noem ik het uiteindelijk wel, denk ik. Dat heb ik uiteindelijk bij Susan ook gedaan, toen met die zoon en de brand”.
“het helpt wel heel erg om het niet heel ingewikkeld te maken…”.
We hebben het nog even gehad over mijn andere punt, over de vrouw van het huis. Noura vroeg me voor wiens gevoel dit idee was. Maar dit keer kwam het vanuit mezelf. Zij heeft het daar ook niet meer over gehad. Het gevoel hierbij is ook anders dan bij mijn moeder. Bij haar heb ik het altijd afgehouden. Dat zou ik ook nog steeds niet willen.
Noura vraagt me waarom ik zou willen dat ze komt, maar hoewel ik die vraag had verwacht, kon ik hier eigenlijk niet echt antwoord op geven. Het idee ontstond eigenlijk afgelopen vrijdag, toen ik er zo doorheen zat en ik met haar een gesprekje had. Dat ik dacht dat het misschien toch goed is als ze een keer meegaat. Niet als moedertype, maar vanuit de rol van begeleiding. Al weet ik eigenlijk niet zo goed wat ik ermee wil bereiken, waarop Noura me vraagt om er nog eens goed over na te denken en het er dan nog eens over te hebben, zodat we het dan helder hebben. Want ze dacht dat hier ook een behoefte van mij onder zit. Alsof ik even iemand naast me zou willen. Misschien ook omdat het de laatste tijd allemaal wel heel veel is.
Ik vond het wel lastig dat ze dit noemde. Zeker toen Noura hieraan toevoegde dat ik dit waarschijnlijk mis. En dat het ook heel logisch is. Zeker nu, in de fase waarin ik nu zit.
We hadden het nog even over het contact met de huisarts, afgelopen maandag. Ik vroeg Noura wat ze ongeveer heeft gezegd en hoe de huisarts hierop reageerde. Zeker omdat ik mijn huisarts nooit heel expliciet over binnen heb verteld. Alleen dissociatie. Maar hij leek het goed te begrijpen, vond Noura.
In mijn doorvraagmethode merkte Noura wel dat het iets deed, waarop ze me vroeg hoe ik het vind dat ze het hierover heeft gehad. Wat dubbel is. Misschien is het niet reëel, maar dan komt er toch een stuk angst dat hij straks ineens toch weer de andere kant op gaat denken, alles psychisch gaat benaderen en dat ik weer in zo’n terug-bij-af-situatie terechtkom.
“en Anybody, het is niet, noch de medische wereld, noch de psychische wereld zijn jouw vijanden. Allebei hebben ze uiteindelijk hetzelfde doel voor jou. En ik snap het met jouw verleden en hoe het bij jou vanbinnen werkt. Dat dat anders is”.
“eigenlijk voelen ze altijd als vijanden”.
“dat maakt dus ook dat je onmogelijk klem zat. Dat maakt eigenlijk dat je bijna niet beter kan worden, omdat het allebei als vijand is. En daarom moeten we het hier zo goed over hebben. Want als je het allebei als vijand hebt, heb je geen andere keus. En dat bedoel ik met opgegeten worden. Allebei de kanten hebben dit gedaan. En allebei de kanten hebben getrokken als het ware. Beide armen een andere kant op. Het enige wat jij hebt gehad is je lijf. Als je kind bent, dan doe je dat. JE gaat naar wie het hardst trekt. Of wie het meest macht heeft”.
“daarom werd ik ook klemgezet, want van de hulpverlening moest ik het ene en van mijn ouders het ander”.
“precies, en als kind had jij nooit die keuze moeten maken. Dat had nooit gemogen, in mijn beleving”.
“toen ik zestien was zeiden ze ook tegen me dat ik zestien ben en patiëntenrecht heb, dus dat mijn ouders niks mogen zeggen. Ik moest zelf uitleggen wat ik niet kon en waarom dan niet. Hulp vragen en bewijzen dat ik die hulp nodig had. Mezelf verdedigen tegen de artsen en verpleegkundigen op de afdeling”.
“ja, en ik denk echt, beide kanten hebben echt steken laten vallen. Dat kan niet als je zo kwetsbaar bent. Op zo’n leeftijd kon het niet. En nu ga je het meer voelen. Daarom is het zo’n cruciaal moment. Daarom is het zo belangrijk. Het maakt niet uit wat je kiest. Waar je voor wilt gaan. Maar nu moet je zorgen dat niemand aan die armen trekt. Dat jij je armen strak langs je lichaam houdt en binnen jezelf daar een weg in kunt vinden”.
“maar dit vind ik wel heel ingewikkeld”.
Ineens vraagt Noura me hoe mijn leven eruit zou zien ‘later, als ik groot ben’. Stel, ik zou minder tijd kwijt zijn en ik zou fysiek meer aankunnen. Hoe zou mijn leven eruit zien? Waar zou ik wonen? Wat zou ik doen? Hoe zou mijn contact met anderen zijn? Zou ik een partner hebben? Zou ik reizen? Zou ik een bijbaan hebben?
Sommige dingen wist ik heel goed. Ik wil studeren, werken. Het liefst iets met dans. Ik zou in een klein, gezellig stadje willen wonen met een mooie omgeving. Ik wil paardrijden, snowboarden en mijn motorrijbewijs halen. Als bijbaantje tijdens mijn studie zou ik wel in de horeca willen werken. Gewoon even iets lekker normaals. Maar hoe mijn contact met andere mensen zou zijn wist ik eigenlijk niet. Daar hield de verbeelding een beetje op. Ik hoop gewoon dat ik dan niet meer zo bang ben voor mensen. Dat ik gewoon gezellig bij iemand langs kan gaan en dat ik gewoon mee kan praten over de normale dingen.
Op de vraag hoe het contact met mijn ouders zou zijn moest ik even nadenken. Ik hoop dat het oké zal zijn. Dat het gewoon gezellig is als ik even langskom. Maar ook dat ik gewoon langs mag komen zoals ik ben. En dat het niet alleen maar gaat over ziek zijn of over dingen die ik niet goed doe of anders zou moeten doen. Dat ik gewoon echt mijn eigen leven heb.
En hoe zou dat voor mijn vader zijn, als ik echt mijn eigen leven heb?
Hij doet zijn ding wel. Voor mijn moeder zal dat moeilijker zijn, denk ik. Ik weet ook niet hoe haar leven er dan uit zou zien. Ik hoop gewoon dat ze eindelijk eens wat voor zichzelf gaat doen.
Noura vraagt me of dat hopen realistisch is, maar ik wist het niet. Ik vraag me af of mijn moeder ooit zal veranderen.
“en zo moet je eigenlijk bij jezelf exploreren wat het voor jou zou betekenen. Verandering. Want daar hebben we het over. Dat is ook je angst. Je verteld heel leuk over wat je wilt doen, maar bij het contact haal je heel diep adem en dan stopt het even. Dan begin je ook wat haperend te vertellen. Dan hebben we het over je vader, dat gaat best wel makkelijk en met een glimlach. En bij je moeder stopt het weer even. Dat zijn de pijnpunten. Jij moet dat bij jezelf gaan voelen. Vooral voelen als je erover nadenkt. Fantaseert. En dan kun je acht scenario’s naast elkaar maken. Dat is prima. Voel maar wat elke scenario met je doet.
Zullen we kijken of we deze komende periode met onze ogen open, met alle kanten in jou, kunnen kijken, om van daaruit helderder te kunnen kijken. Helderder te kunnen voelen? En dan kun je kijken wat bij je past”.
“ik had eigenlijk in mijn behandelplan nog een stukje geschreven, maar die heb ik er uiteindelijk uitgehaald. Dat ging eigenlijk over de verhuizing vanuit mijn ouderlijk huis naar de leefgroep. Dat het op zich wel goed is, maar dat het ook conflicten met zich meebrengt. Want voor wie moet je het dan nog goed doen? Wie is er dan nog die van je verwacht dat je het een of het ander doet? Dus ik vond het eigenlijk wel typisch dat jullie terugkoppeling hier zo over gaat”.
“je zegt eigenlijk, aanpassing is de prijs om het contact, de relatie te houden. En dat heb je zo moeten leren. Blijkbaar heb je dat als overleving gehad. Besef ook wat het betekent. Dat is wat je hebt betaald. Dat aanpassing nodig is voor een bang betekent dat je heel vaak niet authentiek kunt zijn. Dat je bijna vergeet wat er overblijft”.
“dan lijk ik wel een leeg omhulsel”.
“hij is niet leeg. Ik kan me voorstellen dat het leeg voelt. Dat kan ik me echt voorstellen. Maar ik voel heel veel in contact met jou. Als het echt leeg was, had ik ook leegte gevoeld. En dat voel ik niet. En ik voel niet alleen maar de leuke dingen. Ik voel ook wel eens verdriet. En ook wel eens boosheid. Dat zijn dingen waardoor ik bij jou voel dat het niet leeg is.
Maar het is best wel groot dat je dit hebt geleerd. Dat je een band alleen maar kunt houden door aanpassing. Een soort valse zelf heb je”.
“niet helemaal vals, want ik weet wel goed wat ik wil”.
“en daarom ben je niet echt leeg. Je bent misschien bang dat er weinig overblijft. Of dat het niet goed genoeg is. Of dat mensen denken ‘is dit het nou?’. Daarom moet je ook je eigen choreografie gaan schrijven. Dus denk erover na. En denk ook echt na over authentiek worden en zijn. Daar gaat dit ook over. Dus ook de boosheid eigenen. Ook behoefte aan contact eigenen”.
“hoe moet je dan contact eigenen? Dat je dan gaat voelen dat je het misschien wel fijn zou vinden om niet alleen te zijn?”.
“ik denk dat je dat al wel hebt. Maar ik denk dat je dan meteen niet wilt dat het zo is. Het is misschien dat je het een kinderlijke behoefte vindt, maar dat je ook kunt zeggen ‘wat verdrietig eigenlijk’. Dat je echt van een afstandje kunt kijken. Want dat is het eigenlijk wel, dat je dat nog zo op die manier voelt. Dat je wat in te halen hebt. En je haalt het nooit in door het uit te leven. Dat willen jouw delen. Die willen het uitleven. Maar dat zou een teleurstelling na teleurstelling worden. Het zal nooit meer op die manier vervuld worden, want die manier hoort bij een moeder en een klein kind. Dus alsjeblieft, ga aan de slag met het schrift Anybody”.
“hmm”.
“en we gaan kijken de komende tijd. Als jij ervoor kiest dan is het prima. En als je ervoor kiest om niet deze weg te gaan, ook dan zullen we kijken hoe wij daar het best in kunnen begeleiden en hoe we dat gaan doen. Als dat zou betekenen dat we afscheid moeten nemen, ook daarin gaan we het goed doen. En als je de andere kant op kiest, dan nemen de klachten toe, maar ook daarin zullen we proberen te begeleiden. Maar ook aan het eind van de rit, als er afscheid komt, ook dan zullen we je goed begeleiden. En ik zeg dit ook omdat je ook waarschijnlijk ergens voelt, als je dit gaat doen, dat de hechting, dit ook gaat spelen. Maar als je authentieker gaat worden wordt dat ook anders”.
“wat wordt er dan anders?”.
“je gaat je ook irriteren aan dingen. En je gaat het ook echt niet eens zijn met dingen. Je gaat mij ook meer als mens zien. Veel meer. Maar ook dat je daar irritatie bij voelt. Meer dan dat je nu hebt.
En we gaan opbouwen. Buiten”.
“dat ik weer andere dingen ga doen?”.
“ja, maar dan hebben we het echt over een hele lange tijd. Maar neem dat wel mee in je overtuiging”.
“wacht even, welke overtuiging?”.
“contact: ‘uiteindelijk worden we weggestuurd’. ‘Uiteindelijk word ik kapot gemaakt’. ‘Uiteindelijk moet ik ook hier weg’. Dat is ook in contact. Dat is ook waar. Uiteindelijk, wat je ook kiest, moet je hier ook weg. Dat klopt”.
“maar ik ga hier ook echt niet de rest van mijn leven blijven”.
“nee, maar er kunnen delen zijn die dat lastig vinden. Om het nu aan te gaan als je weet dat het uiteindelijk wel gaat gebeuren. En daarom zeg ik het ook. Ook dan zullen we het goed doen. Dat wil ik wel alvast zeggen”.
“dus jullie laten me nooit zomaar in de steek”.
“nee, afscheid is toch de belangrijkste fase van je behandeling? En het maakt niet uit op welke manier afscheid zal plaatsvinden. Dat maakt niet uit”.
“in ieder geval niet in de CTO”.
“dat is het leukste moment!”.
“het leukste moment? Ik vind het afschuwelijk”.
“je kunt het op jouw manier doen. Je kunt het ook heel anders doen. En misschien verandert dat nog wel. Als je meer authentiek kunt zijn. Want eigenlijk ben jij heel out-going”.
“waarom dan?”.
“in contact”.
“hoezo?”.
“voornamelijk nog heel speels”.
Ik schiet in de lach “oké”.
Voor ik wegging vroeg ik Noura of ik haar collage nog even mag zien, die ik in december als afscheid van de groep had gegeven. Ik had niet persé iets wat ik eraan wilde zien, maar op de een of andere manier was het even belangrijk voor me.
Noura pakte hem erbij en eigenlijk was het wel grappig toen we hem samen bestudeerden, want veel tekstjes die erop stonden waren dingen waar we het vandaag over hebben gehad.
“het kan ook zo zijn, aanpassing maakt dat je heel goed de ander kunt voelen. Dat je het hebt gemerkt omdat je heel goed kunt bedenken in mij. Dus het wil niet zeggen of jij dit ook allemaal vindt.
Eigenlijk zou je er één moeten maken, echt vanuit jezelf. Een collage voor jezelf. Dat zou je eigenlijk moeten doen, dat het authentiek gaat zijn. Want dit heb je ingetuned gedaan, waarschijnlijk”.
“dit heb ik gewoon gemaakt op wat bij jou paste en wat ik hier bij jou ervaar”.
“ja. En nu andersom. Dat je maakt wat bij jou past, wat je hier ervaart”.
“ik weet niet of ik dat wel kan”.
“dit is een hele goede oefening wat je stiekem thuis kunt doen.
Authentiek zijn he, niet de aanpassing”.
|